Ik loop de bloemenwinkel in voor een cadeautje. Achter me hoor ik roepen. Ik kijk om. Een man…, er wordt driftig gezwaaid. Ik kan de man niet thuisbrengen, maar dat hoeft niets te betekenen.
Ik kijk de winkel in. Daar wordt ook gezwaaid. Het is dus niet voor mij. De zwaaiende vrouw heeft haar handen eigenlijk vol. Ze draagt drie planten, cyclamen.
Ooit zag ik bij mijn schoonmoeder vaak cyclamen. En de volgende keer dat ik er kwam, stonden ze er dan nóg. Het was 150 km van ons vandaan, dus het was dan niet de volgende dag.
Bijna altijd bloeiden ze.
En als ze niet bloeiden, dan bloeiden ze bijna of hadden net gebloeid..
Nou heb ik geen groene vingers en ik ben ook niet zo weg van die plant, maar ik heb er toch wel eens een cadeau gekregen. En naarmate ik er vaker een kreeg, werd het me steeds duidelijker: Als iemand hem de drempel overgedragen had, begon de plant al te kwijnen. Het zou best kunnen dat het kwijnen al meters voor de voordeur begon. Eigenlijk ben ik er zeker van dat het kwijnen al meters voor de voordeur begon.
Niemand zag het nog, behalve ik, maar echt, het is waar.
Na een dag of drie zagen anderen het ook. ‘Het gaat niet goed met die plant.’
Veel water, matig water, weinig water. Water bovenop, water in de schotel, in de schotel en na een half uur wegdoen wat er nog is… Lauw water …
Alle adviezen zijn ooit wel opgevolgd, óók die van mijn schoonmoeder.
Maar langer dan een week hebben ze nooit gestaan.



Pollenverwachting:



Artikelen (RSS)