‘Waar ben jij nou toch mee bezig?’ zei mijn vader.
Ik zat me al een hele tijd wezenloos te pennen, ’s morgens was ik al begonnen, en nu was het al een tijdje middag. Velletje na velletje schreef ik vol, met inkt en kroontjespen. Strafwerk …
Ik zat in de vijfde klas van de lagere school. Elke dag hadden we godsdienstles, eens in de week was het een les van de pastoor.
De oorzaak weet ik niet meer, het gevolg nog wel. ‘Schrijf jij die les maar tien keer over,’ had de pastoor gezegd.
‘Tíen keer??’ Het was zo’n beetje de langste les van ons cathechismusboekje, ik wilde het nog wel even weten.
Ja, tien keer, en als ik brutaal bleef, mocht de zeventiende les zeventien keer worden overgeschreven. Had ik het goed begrepen?
Ik bleef niet brutaal.
‘Ja, meneer.’
En zo zat ik op die zondagmiddag aan tafel met mijn inktpotje.
‘Hoe ver ben je?’ vroeg mijn vader.
Hij had me aanhoord en gekeken waar het om ging.
Ik was ergens aan het begin van de vijfde keer.
‘Je maakt de vijfde keer af en dan stop je ermee,’ zei mijn vader.
‘En als het niet goed is, komt ie maar naar mij toe.’
Ik schreef met mijn inmiddels halflamme handje voor de vijfde keer de hele riedel aan vragen en antwoorden over en vouwde de lading vellen bij elkaar.
Pff…
Op maandagpchtend overhandigde ik het stapeltje papier aan de pastoor.
‘Wat is dat?’
‘Mijn strafwerk …’
De pastoor pakte de bundel aan.
Draaide zich om, deed het luikje van de kachel* open en mikte zonder er verder naar te kijken het hele pakket erin.
*Onze school had centrale verwarming, maar wij zaten dat leerjaar in een dependence. Dat gebouw was aan het eind van het vorige schooljaar verlaten door een school voor moeilijk lerende kinderen, en vervolgens deels in gebruik genomen door een paar klassen van mijn school. Er stond in elk lokaal een manshoge zwarte kolenkachel.



Pollenverwachting:



Artikelen (RSS)