Ek het gedink

Op de zevende en laatste dag van mijn gedichtenweek:

Ek het gedink

Ek het gedink dat ek jou kon vergeet,
en in die sagte nag alleen kon slaap,
maar in my eenvoud het ek nie geweet
dat ek met elke windvlaag sou ontwaak:

Dat ek die ligte trilling van jou hand
weer oor my sluimerende hals sou voel…
Ek het gedink die vuur wat in my brand
het soos die wit boog van die starre afgekoel.

Nou weet ek is ons lewens soos ‘n lied
waarin die smarttoon van ons skeiding klink
en alle vreugde terugvloei in verdriet
en eind’lik in ons eensaamheid versink.

Ingrid Jonker

Ingrid Jonker (1933-1965) was een Zuid-Afrikaanse dichteres die in het Afrikaans schreef.

(-)

Op dag zes van mijn gedichtenweek:

(-)

Geboren is wat wij worden
maar dood worden wij niet

Dood is wat wij gaan.
Sterven wat wij doen.

Doodgaan is de allerlaatste
daad dan maar verrichten.

Hagar Peeters (1972)

Bloody Men

Op dag vijf van mijn gedichtenweek:

Bloody Men

Bloody men are like bloody buses
You wait for about a year
And as soon as one approaches your stop
Two or three others appear

You look at them flashing their indicators
Offering you a ride
You’re trying to read the destinations
You haven’t much time to decide

If you make a mistake, there is no turning back
Jump off, and you’ll stand there and gaze
While the cars and the taxis and lorries go by
And the minutes, the hours, the days

Wendy Cope (1945)

Weggaan

Op dag vier van mijn gedichtenweek:

Weggaan

Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren. Je blijft
iemand op wie wordt gewacht.

Weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven. Niemand
wacht want je bent er nog.
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg

Rutger Kopland (geb. 1934)

Uit: Het orgeltje van yesterday.
Amsterdam, 2000

zevendaagse

‘Ze halen er meer uit dan ik erin stop, ‘ zei ooit een een schrijver. Ik gok nu even op Bomans, maar het kan net zo goed iemand anders geweest zijn. Het is dan ook al heel lang geleden, ik geloof dat ik toen nog op school zat. En toen wilde ik graag meegaan met deze opmerking. We deden op school heel wat aan ‘tekstverklaren’. De opmerking ging dan ook niet alleen over gedichten, als ik het me goed herinner, het ging over alle literaire uitingen. Je wilt niet weten wat ik toen allemaal aan tekst heb uitgeplozen. Met proza had ik geen moeite, ik was altijd al een lezer, maar gedichten las ik niet.
Ik had dan ook een hekel aan gedichten. Man man, wat konden ze daar moeilijk in doen. En dan dat voordragen, doorgaans op zo’n plechtige, gedragen toon. Het meest simpele zinnetje werd zo nog gezwollen taal. Vre-se-lijk. Pas als al die dramatiek in het voordragen wat minder werd, kon ik het aanhoren. Modern dichtwerk leent zich vaak ook een stuk beter voor wat lossere voordracht.
Het is nooit helemaal over gegaan. Het aantal zelfaangeschafte dichtbundels in mijn boekenkast is op een hand te tellen. Dan hou je nog vingers over. Ik ben hooguit een incidenteel gedichtenlezer, ik lees ze als ik ze tegenkom. Ik zoek er niet naar.
En toch plaats ik deze week elke dag een gedicht. Gedichtendag vind ik te mager, ik hou een gedichtenweek, met heel uiteenlopende gedichten.
Hieronder staat het gedicht van de derde dag, een oud gedicht.

Sonnet 21

Op de derde dag van mijn gedichtenweek:

Sonnet 121

‘t Is beter slecht te zijn dan slecht te heten,
Want wie het niet is, gaat er toch voor door;
Gesmaakt genot, zelfs met een goed geweten,
Gaat aan de smaad van anderen teloor.
Wat groeten anderen met valse blik,
Zelf overspelig, mijn onstuimig bloed ?
Wat spiedt hun zwakker ik naar mijn zwak ik,
Belust te laken wat ik houd voor goed ?
Nee, ik ben die ik ben, wat ik misdreef,
Is niet hun zaak, maar wat zijzelf misdreven;
Misschien ben ik wel recht en zijn zij scheef,
Hun past geen laag idee over mijn leven.
Tenzij men dit algemeen kwaad poneert:
De mens is slecht, zijn slechtheid triomfeert

William Shakespeare (1564-1616)

vertaling Peter Verstegen

SONNET 121

‘Tis better to be vile than vile esteem’d,
When not to be receives reproach of being
And the just pleasure lost which is so deem’d
Not by our feeling but by others’ seeing:
For why should others false adulterate eyes
Give salutation to my sportive blood?
Or on my frailties why are frailer spies
Which in their wills count bad what I think good?
No, I am that I am, and they that level
At my abuses reckon up their own:
I may be straight, though they themselves be bevel
By their rank thoughts my deeds must not be shown;
Unless this general evil they maintain,
All men are bad, and in their badness reign

Ik hou zo van verlangen

Dit is de tweede dag in mijn gedichtenweek:

Ik hou zo van verlangen

Mevrouw Julia doet de ramen open
en ze weet geen woord voor de lucht die haar wangen raakt
en de zon heeft de kleur van honing

en ze weet
vandaag gaat het gebeuren
en ze denkt
maar eerst blijf ik nog even staan.

Tjitske Jansen (1971)

Uit: Het moest maar eens gaan sneeuwen

debielocratie

Gedichtendag?
Ik maak er een week van!
Vanaf vandaag zeven dagen lang elke dag een gedicht.

Deze vond ik in Komrij’s Nederlandse Poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten:

DEBIELOCRATIE

op het pleintje
luistert het volk
gladjanus
wikt en weegt woorden

vuilgrijs haar
uitstulpende voorhoofden
ogen te dicht bij elkaar
‘drie maal drie is tien’ blikken
geveinsde betrokkenheid

zo komen we er wel
wat fijn dat we ieder een stem hebben
en van die wijze leiders bovendien

Theo Bakker (Oegstgeest, 1951)

Uit:Toch daagt het weer, Gedichten 1996-1999
Amsterdam 2001

gedichtendag

De plaatselijke bibliotheek bood mij vandaag zes ‘tegeltjes’ aan. Op elke tegel staat een winnend gedicht van de Regionale Gedichtenwedstrijd die elk jaar in Zuid-Gelderland wordt gehouden.
Het is vandaag Gedichtendag.



Vroeger op school had ik een grondige hekel aan gedichten. Ik vond de taal vaak gezwollen. En als ze voorgedragen werden kon ik de toon niet waarderen, gedragen, veel te plechtig en overdreven.
Later kwam ik toch gedichten tegen die ik wel kon waarderen. Ik kon er genoeg bij elkaar sprokkelen om voor mijn eindexamen op mijn lijst te zetten. Daarin werd gewone taal gebruikt. We moesten ze desgevraagd ook voordragen bij het mondeling. Het hardop lezen van gedichten is maar weinigen gegeven, volgens mij dan. Zelfs de dichters zelf kunnen er nog flink mee de mist in gaan. Ik heb toen dus lang moeten zoeken naar de volgens mij juiste toon.
Gedichten zijn nog steeds niet mijn favoriete leesstof. Dat zal wel zo blijven, zelfs al heb ik zelf in de loop der jaren wel dingen geschreven die je gedichten zou kunnen noemen. Maar toch: Ik ben meer prozaïsch dan poëtisch.