In vroeger jaren, en dan wel heel vroeger jaren, op de lagere school was het nog, bevonden we ons op de middag van Goede Vrijdag in de kerk. Daar werd dan de kruisweg gebeden. Het was een hele zit voor al die veertien staties waren aangedaan. Ik moest er net aan denken, en ook nog aan een ander aspect van het Rijke Roomse Leven van de jaren vijftig van de vorige eeuw.
Het werd op school gepropageerd en veel klasgenootjes hadden er een, een vastentrommeltje. Het was de bedoeling dat je daarin het snoep verzamelde dat je op doordeweekse dagen in de vastentijd kreeg. Dat snoep spaarde je dan op en dat mocht je op zondag opeten, of als je heel veel zelfbeheersing had en extra zwaar wilde boeten voor je pekelzonden pas op paaszaterdag. Ik had geen vastentrommeltje en het leek me wel wat, toen ik de inhoud van zo’n ding bij een vriendinnetje zag. Zo, dat was lekker veel om in een keer op te eten! Ik vroeg mijn moeder dus om een trommeltje, het moest voor het echt wel zo’n blikken ding zijn. ‘Waar heb je dat voor nodig?’ vroeg mijn moeder. Dat was geen gekke vraag. Knopen, knikkers, suikerzakjes, er kon van alles in.
‘Een vastentrommeltje, voor snoep’ antwoordde ik onbevangen.
‘Welk snoep?’ vroeg mijn moeder.
En daarmee was de kous af. De omzet aan snoep was bij ons thuis uiterst klein, ook buiten de vastentijd.
Categorie archief: herinneringen
Morgen gebeurt het
Ooit schreef ik over dit tv-programma uit 1957, in 2008 en misschien daarvoor ook al eens. En nog steeds komen er regelmatig reacties op. Het was dan ook indrukwekkend. Science-fiction, nu hou ik niet eens van sf, maar toen vond ik het echt geweldig. Het decor was primitief. Het geheel was waarschijnlijk naar huidige begrippen zo traag als het maar zijn kan, maar het was nieuw, en ongelooflijk spannend. Hoe spannend? Lees de reacties maar eens op mijn stukje uit 2008. Zo spannend dus!
Nu vond ik op YouTube een fragment waarbij ik er al bijna weer automatisch voor ga zitten als ik de intro-muziek hoor. Die muziek zou nu zo weer kunnen. Luister maar eens even. Doen hoor! Huiveringwekkend!
3 October, alweer
Op 3 October rook ons huis de hele dag naar hutspot. Mijn moeder maakte er op 2 oktober al een paar pannen vol van, want de hele familie kwam bij ons over de vloer. We woonden strategisch, op een prachtige pauzeplek midden tussen de activiteiten, midden in de stad. De taptoe trok aan ons voorbij, de optocht zagen we vanuit onze ramen. De hele dag kwamen er feestvierders door de straat, maar daarvan zagen we niet veel, want we liepen zelf in de stad.
Het wordt voor ons nooit meer zoals het was. Veel nieuwe tradities zijn mij vreemd. We hebben geen eigen plek meer in de binnenstad. We koesteren de herinneringen en laten het daarbij. Ik volg de feestelijkheden zoals ze op diverse weblogs en websites op internet komen en weet dat ik het daarbij moet laten. Ik ben en blijf lid van de 3 October Vereeniging. Maar sinds mijn moeder het niet meer kookt, heb ik geen hutspot meer gegeten, ook niet op 3 October.
Het gaat nooit over.
Vorig jaar schreef ik ook al over 3 October. En het jaar daarvoor en daarvoor en daarvoor enzenzenz. Het staat er niet meer allemaal.
Frans
Toen de tirelire (zie bij 16 juni hieronder) aan mijn Franse woordenschat werd toegevoegd was er al heel wat aan vooraf gegaan. We zaten in de vijfde klas van de lagere school toen we voor het eerst Franse les kregen. Het was facultatief en zou eens per week tussen de middag, van twaalf tot half een gegeven worden. De middagpauze leende zich daar toen nog uitstekend voor. Die was van twaalf tot twee.
Met onze vijfde klas zaten we in een dependance en het Frans zouden we krijgen van de zuster van de zesde. De eerste les bestond enkel uit het ophalen van het boekje.
Ik hoor ons na dat ophalen nog naar huis lopen. IJverig lazen we hardop onze eerste Franse zinnetjes, wat harder dan nodig was, zodat de mensen het goed konden horen. Wij spraken Frans! “La dame et la bonne. Marie est la dame. Sophie est la bonne de Marie. La tasse est sur la table. Sophie lave la tasse.”
Een boeiend verhaaltje dus …
Dat het Frans anders uitgesproken zou moeten worden, dan wij het lazen, kwam niet bij ons tienjarigen op. Wij waren nog van de generatie kinderen voor wie televisie een zeldzaamheid was, net als op vakantie gaan.
Vreemde talen hoorden we zelden of nooit.
Op de volgende bladzijde stond het onvermijdelijke “Papa fume une pipe.” (‘Pappa fuume uune piepe’ dus.) We zijn op onze route naar huis ongetwijfeld een bron van vermaak geweest.
nostalgie


Ze reden 1 op 50, mengsmering. Ze gingen niet harder dan 35 en als de voorband nat was, slipte het aandrijfwiel dat erop geklemd was een beetje door. Maar wat heb ik ooit een plezier gehad van die pruttelfiets. Zes jaar lang reed ik op mijn Solex oto van hot naar haar en weer terug, probleemloos. Daarna heb nooit meer op een Solex gereden. Het is pure nostalgie voor mij, de Solex.
Ik schreef er al eerder over.
Nu zie je alleen nog gereviseerde exemplaren voor de dagrecreatie. En ik zag er twee uitgestald. De bovenste staat opgepoetst in een vitrine in het Florence Nightingale Instituut (zie mijn stukje van 20 april) als historisch vervoermiddel van de wijkverpleegster. En het verroeste ding staat als decoratie in een tuincentrum.
elke-dag-een-foto, 51
ijspaleis
Toen in de nacht van 11 op 12 februari 1929 het Leidse stadhuis afbrandde, was mijn vader dertien jaar. Zelfs toen wij kinderen de dertien al lang gepasseerd waren, was als de brand ter sprake kwam, de verontwaardiging van mijn vader nog zo groot, dat wij die konden voelen: Hij was niet wakker gemaakt die nacht. Ze hadden hem ‘lekker laten slapen’, en dat terwijl hij maar een paar honderd meter van de plek des onheils woonde. Welke jongen van dertien had dat niet willen meemaken? Wij konden zijn gevoelens volledig met hem delen.
Wel kregen we van beide ouders, ook mijn moeder woonde vlakbij het stadhuis, in geuren en kleuren allerlei details te horen. Details over hoe koud het was bijvoorbeeld en dat er daardoor iets te enthousiast gestookt was in het gebouw, waardoor de brand ontstond. En dat er door die kou niet eens behoorlijk geblust kon worden. Het water bevroor in de blusleidingen. De aanblik van de zwaar gehavende, met ijspegels bedekte voorgevel van het gebouw is regelmatig zo levendig beschreven door onze ouders, dat wij die voor ogen zagen.
Op het plaatje zie je de stoombrandspuit uit 1908 die bij de brand (in 1929 dus) gebruikt werd. Het plaatje is geleend bij de Stichting Historisch Brandweermaterieel. Meer over de spuit vind je hier.
En wat je zeker even moet zien is dit Polygoonfilmpje van de brand en het ijspaleis dat erna van het gebouw over was.
porsje
‘Joh,’ zei een vriendinnetje samenzweerderig en enthousiast tegen me, ‘mijn moeder krijgt een porsje!’
Ik was een jaar of vijftien, zestien. Het was ver voor het internettijdperk. De 911 was nog niet in beeld. Ik had geen idee wat een porsje was. Het moest wel iets bijzonders zijn, als er met zoveel geestdrift melding van werd gedaan. Maar ik wilde me niet laten kennen en deelde haar enthousiasme.
‘Geweldig!!!’
‘Wanneer??’
‘Goh, een porsje!’
In de week erna kwam de porsje nog een paar keer ter sprake. Wat het voor iets was, werd me in die week niet duidelijk. Ik had geen idee in welke hoek ik dat zou moeten zoeken, een porsje. Ik wachtte geduldig af. Ik zou er wel achter komen, als het iets was om zo enthousiast over te zijn. En in het uiterste geval zag ik die porsje ooit wel een keer. Toch?
Ik hoefde niet te wachten tot de porsje er was.
Mijn vriendin had belangstelling opgevat voor een jongen die in een snackbar aan de Korevaarstraat werkte. Het spreekt vanzelf dat we regelmatig even bij die snackbar langs moesten. Ach, ik vond het best, al had ze van mijn kant zeker geen concurrentie te duchten. We slenterden naar de snackbar, liepen er even binnen, ze maakte een praatje als hij er was, en dan slenterden we terug, met of zonder omweg. Zo kon het gebeuren dat we over het Rapenburg liepen toen ik ineens een kreet naast me hoorde: ‘Whaaaaa! Een porsje!! Zo een krijgt mijn moeder!’
Waar keek ze naar?
Ah, een auto! Het stond er op, Porsche.
Ik moest er net aan denken toen ik het op het dak van een garage zag staan, Porsche.
even wat sentiment
De vuurvreter, de door hoepels springende hondjes, voor mij als kind waren het hoogtepunten van het 3 Octoberfeest. Eind jaren vijftig waren er nog volop straatartiesten. Ze waren geen deel van het georganiseerde feest, maar ze waren er elk jaar weer. En o, wat was dat spannend! Je zag een oploop, wurmde je tussen de mensen door naar voren en dan zag je wat er te zien was. Het slangenmens, de acrobaten, de jongleurs, ik zal ze nooit vergeten. Een man met een zingende zaag, de Volendammers met hun accordeon, af en toe een standwerker met een prachtige act, ik kon er geen genoeg van krijgen. Elke nieuwe kring was een verrassing. Wat was daar binnen te beleven?
Daar loopt iemand met wat vreemde attributen en een koffertje. Hij spreidt het kleedje dat hij opgerold onder zijn arm had uit over de stoep. De eerste nieuwsgierigen zijn er al. Om de aandacht van anderen te trekken begint hij te zingen, de kring van belangstellenden groeit snel. En dan gebeurt er van alles. Hij is lenig, er vliegt van alles door de lucht en hij maakt ook nog muziek en dan gaat hij rond met de hoed met het veertje erop, rolt zijn kleedje weer op en doet zijn ballen en ringen weer in het koffertje. Later op de dag zie ik hem op een andere plek weer.
O, alleen daarom al, en om de taptoe en de kermis, de poffertjes, de hele dag familie over de vloer, de hutspot en laat op de avond nog het vuurwerk. 3 October, zucht, wat een feest!
korsten

Hij bleef logeren en toen ik hem naar bed bracht en zijn knieën van een afstandje zag, dacht ik: “Die moet ik even onder handen nemen.”
Nadere beschouwing leerde me, dat het geen vuile knieën waren. Het waren knieën zoals die van een vijfjarige horen te zijn, vol korsten en blauwe plekken.
O, die heerlijke dikke pulkkorsten ..
Ik kon er nooit vanaf blijven.
de groenteman
Hier in de zijkolom staat regelmatig een “Terzijde”, regelmatig ook staat er niets.
Daarstraks vroeg ik me af: “Wat zullen we morgen eten?”
Vroeger werd je met die vraag geholpen op de radio. Die groenteman van toen kan zo langzamerhand wel terugkomen.
‘Goedemorgen groenteman’, zo begon het, en dan volgde er een recept.
Weet je het nog?
Hij mag terugkomen …
Het ‘hoe’, het recept, is bijzaak, maar het ‘wat’, dat is de vraag.
Tsja tsja tsja, Tsja wat zullen we eten?
Tsja tsja tsja Tsja wie kan dat weten?
Update, luister maar even