Zeker een maand zag ik haar niet, het meisje van de Donauwellen. Ik schreef al eerder over haar. Spelen kan ze niet, een paar maten Donauwellen, dat is het. Meer heb ik althans nooit van haar gehoord. Elke dag zat ze met haar accordeon onder het afdakje voor de boodschappenkarren van de supermarkt. De laatste paar weken dat ik haar zag, zat ze op het parkeerterrein aan de andere kant van de straat. ‘Zeker weggestuurd,’ dacht ik. Ik vond het wat hard. Ze zat toen tien meter verderop, wat meer in weer en wind. En daarna zat ze er al weken niet meer.
‘Hè hè, ze mag ermee stoppen, het wordt te koud,’ dacht ik.
Ik moet niet zoveel denken.
Waar ze was, was ze, maar nu is ze weer terug.
Daar zit ze weer, zonder enige beschutting aan de rand van het parkeerterrein, haar krakkemikkige klapstoeltje op de platgetrapte sneeuw. Ze heeft nu handschoenen aan en speelt haar paar maten Donauwellen.
Het is volgens de thermometer van mijn auto -5,5°, door de wind lijkt het nog een stuk kouder.
